Eduard de van der Schueren: „80% is ook goed. We kunnen ons geen tien jaar ontwikkeling meer veroorloven voordat we van start gaan.”

Eduard de van der Schueren: "80% is ook goed. We kunnen ons geen tien jaar ontwikkeling meer veroorloven voordat we van start gaan" omslag

In de nieuwste aflevering van The Sentyron gaat presentatrice Willemijn Rodenburg in gesprek met commodore Eduard de van der Schueren, programmadirecteur Bescherming van de Noordzee-infrastructuur. Wat deze aflevering duidelijk maakt, is iets specifieks: hoe Nederland en Europa hun manier van denken, beslissen en samenwerken moeten veranderen als de bescherming gelijke tred wil houden met de dreiging. De bescherming van kritieke infrastructuur is volgens Eduard niet langer een technisch of operationeel probleem; het is een kwestie van mentaliteit.

Het instinct om af te wachten is het instinct dat de overhand krijgt

Eduards meest directe kritiek op de manier waarop Nederlandse instellingen nog steeds functioneren, is tegelijkertijd ook de eenvoudigste: stop met wachten op perfectie.

"Tachtig procent is ook goed. We kunnen ons geen tien of twintig jaar ontwikkeling meer veroorloven voordat een systeem klaar is. Op een gegeven moment moet je zeggen: dit is goed genoeg, hier gaan we mee aan de slag. Of het nu om een systeem of een proces gaat."

Hij omschrijft het nadrukkelijk als een cultuuromslag binnen Defensie: "Wat we nu binnen Defensie zien, is dat de risicotolerantie toeneemt. Dat betekent niet dat we roekeloos worden, maar we begrijpen dat je niet elk risico kunt uitsluiten voordat je ergens aan begint." Het referentiepunt waar hij steeds op terugkomt is Oekraïne. "Als ze eerst elk risico hadden weggenomen, om te voorkomen dat er een drone in een woonwijk zou neerstorten, dan hadden ze die dronoorlog allang verloren. Ze hebben dus bewuste keuzes gemaakt: we zijn hier nog niet helemaal zeker van, het is misschien niet perfect, maar we gaan ermee aan de slag."

De gevolgen voor de rest van de overheid zijn lastiger. Binnen de Nederlandse publieke sector zorgt de verantwoordingsplicht er nog steeds sterk voor dat organisaties geneigd zijn tot voorzichtigheid, ministeriële verantwoordelijkheid en een zorgvuldig evenwicht tussen begrotingsdruk en zichtbare risico’s. Eduard is daar eerlijk over: „Verantwoordelijkheid nemen binnen de overheid betekent vaak dat je de ministeriële verantwoordelijkheid op je neemt. Daar zit altijd een risico aan vast, en het betekent vaak ook medefinanciering. Dus als je vraagt wie hiervoor verantwoordelijk is, krijg je geen duidelijk antwoord. Iedereen kijkt elkaar aan en hoopt dat iemand anders zegt: ik voel me verantwoordelijk.”

Dit patroon is herkenbaar in veel discussies over kritieke infrastructuur. De dreiging ontwikkelt zich snel. De besluitvorming verloopt traag. En de kloof tussen beide wordt steeds groter. Tachtig procent is volgens Eduard geen compromis. Het is een overlevingsstrategie.

Het probleem bij samenwerking is niet een gebrek aan goede wil. Het is het verkeerde uitgangspunt

Als risicotolerantie de ene verandering is, dan is de manier waarop de overheid met het bedrijfsleven samenwerkt de andere. Eduard ziet in de hele sector een oprechte bereidheid om bij te dragen aan de bescherming van de Noordzee. Exploitanten, visserijbedrijven, loodsen, telecomaanbieders, technologiebedrijven. De wil is er, maar het model ontbreekt nog.

Zijn kritiek op de manier waarop de technologiesector zich doorgaans opstelt, is scherp: "Vroeger ontwikkelden bedrijven iets en zeiden ze: koop dit, en je probleem is opgelost. En wij zeiden dan: maar dat was niet mijn probleem. Ik heb iets heel anders nodig." Het conventionele patroon is met andere woorden aanbodgestuurd. Een leverancier komt met een product en zoekt vervolgens naar het probleem waarvoor het geschikt is. Eduard wil dat omdraaien. Het probleem moet voorop staan, gezamenlijk gedefinieerd door overheid en sector, voordat iemand gaat nadenken over hoe de oplossing eruitziet. Hij wijst op omgevingen waar die gezamenlijke probleemdefinitie al plaatsvindt. CSEC, het Cyber Security and Experimentation Center in Scheveningen. FLEX, gericht op innovatie voor digitale bescherming. Soortgelijke instituten bestaan in het buitenland. Hun gemeenschappelijke kenmerk is een gedeelde R&D-logica in plaats van een inkooplogica. De frustratie die hieraan ten grondslag ligt, is simpel:

"Veel bedrijven zien dit vooral als een bedrijfsmodel voor hun eigen organisatie. Ik blijf zeggen: jullie dragen niet alleen bij aan de nationale veiligheid, jullie maken er deel van uit. Dat bedrijfsmodel moet af en toe even opzij."

Eduard verwacht niet dat bedrijven gratis werken. Hij verwacht wel dat ze beseffen dat ze deel uitmaken van het systeem waar ze hun producten of diensten aan proberen te verkopen. Dat besef is volgens hem wat echte partners onderscheidt van leveranciers die alleen op de korte termijn denken.

Het delen van informatie verloopt asymmetrisch, en doen alsof dat niet zo is, ondermijnt het vertrouwen

Dezelfde redenering geldt voor de uitwisseling van informatie tussen de overheid en exploitanten. Het programma heeft gedetailleerde gegevens van bedrijven nodig: waar kabels lopen, hoe ze zijn aangelegd, wat er in die kabels gebeurt en waar de zwakke plekken zitten. Bedrijven zijn bereid om meer informatie te delen dan vroeger. Maar ze verwachten daar iets voor terug: informatie over dreigingen, context en een eerlijk beeld van hoe kwetsbaar ze werkelijk zijn.

Daar stuit Eduard op een structurele beperking: "Hoe kwetsbaar zijn wij als Nederland? Dat is vaak informatie die je niet met iedereen wilt delen, omdat je niet precies weet waar die vervolgens terechtkomt. En dat maakt het voor ons een uitdaging om veel te vragen, maar niet altijd alles terug te kunnen geven. Sommige bedrijven vinden dat niet makkelijk. Zij willen graag alles terugkrijgen." Hij begrijpt die positie. Hij doet ook niet alsof de asymmetrie verdwijnt. Wat verandert, is hoe de relatie wordt gekaderd. Bedrijven die dit als een transactie beschouwen, zullen teleurgesteld zijn. Bedrijven die het zien als een partnerschap in de nationale veiligheid zullen verder komen, zelfs als niet elk stukje inlichtingen in beide richtingen stroomt.

Wat Scandinavië goed heeft gedaan op het gebied van nationale veiligheid

Eduard wil dat Nederland omarmt wat de Scandinavische landen decennia geleden hebben opgebouwd: totale defensie.

"Totale defensie reikt veel verder dan mensen vaak denken. Het gaat niet alleen om het feit dat je reservist bent of ooit in het leger hebt gediend. Het gaat erom dat we ons er gezamenlijk van bewust zijn dat we samen aan die veiligheid moeten bijdragen."

Het praktische gevolg zou zijn dat er een andere standaardvraag komt. Niet "wie is hiervoor verantwoordelijk?", maar "wat is mijn aandeel hierin?". Dat verandert de dynamiek tussen de overheid en de sector. Het verandert de manier waarop begrotingen worden opgesteld. Het verandert wat burgers, bedrijven en instellingen bereid zijn te accepteren als hun eigen rol.

Eduard romantiseert het niet. Hij is duidelijk: totale defensie kent een voorwaarde. "Het vereist dat je elkaar, om het zo maar te zeggen, blijft waarderen. Zodra één land een andere richting inslaat, stort dat hele kaartenhuis in." In een Europa dat te maken heeft met politieke versnippering, populistische verschuivingen en wisselende allianties, is dat geen onbelangrijke voorwaarde. Maar dat is ook de reden waarom hij vindt dat het werk nu moet beginnen, nu de omstandigheden nog gunstig zijn.

"Als we dit concept zeventig jaar geleden hadden omarmd, net zoals de Scandinavische landen dat hebben gedaan, zouden we nu al veel verder zijn." Dat is een beleefde manier om te zeggen dat Nederland achterloopt. En om die achterstand in te halen is meer nodig dan alleen een programma; er is een mentaliteitsverandering voor nodig.

Luister naar de podcast van Eduard (in het Nederlands) via Spotify of bekijk de podcast op YouTube.